Wanneer we vandaag een nieuwe weg ontwerpen, baseren we ons hoofdzakelijk op actuele meetgegevens, bestaande normen en historische klimaatgegevens. Dat is logisch: ontwerpregels zijn opgebouwd uit jarenlange ervaring en waarnemingen. Maar net daar ontstaat ondertussen een probleem. Wegen worden aangelegd met een levensduur van tientallen jaren, terwijl klimaatveranderingsmodellen aantonen dat de omstandigheden tijdens die levensduur aanzienlijk kunnen veranderen. Enkele graden meer of minder kunnen een hoge impact hebben op de mechanische -dus duurzame- kwaliteit.
Toekomstscenario’s voor temperatuur, neerslag, hittegolven en extreme weersomstandigheden worden vandaag nog maar zelden rechtstreeks meegenomen in het ontwerp van nieuwe wegen. Nochtans zal een weg die we in 2026 aanleggen ook in 2040, 2050 of zelfs later nog moeten functioneren, de toplaag even buiten beschouwing gelaten. De vraag is daarom niet alleen of een beton- of asfaltmengsel geschikt is voor het klimaat van vandaag, maar ook of het bestand is tegen het klimaat waarin het gedurende een belangrijk deel van zijn levensduur zal moeten presteren.
Dat geldt niet alleen voor België, maar evenzeer voor Nederland, Luxemburg en Duitsland. Langere periodes met hoge temperaturen kunnen het risico op spoorvorming en vervorming verhogen in asfalt of betonverhardingen beschadigen door uitzetting. Intensere neerslag stelt bijkomende eisen aan afwatering, watergevoeligheid en de duurzaamheid van de volledige wegconstructie, inclusief fundering en bodem. Zinkgaten zijn een voorbeeld. Tegelijk willen we meer gerecycleerde materialen, lagere productietemperaturen en alternatieve bindmiddelen gebruiken. Dat is noodzakelijk vanuit duurzaamheidsoogpunt, maar betekent ook dat ervaringen uit het verleden niet zomaar volstaan om de prestaties van de weg van morgen te voorspellen. Net daar ligt een kans.
Universiteiten en onderzoekscentra beschikken vandaag over apparatuur en kennis waarmee relatief snel antwoorden kunnen worden gezocht op heel concrete vragen. Wat gebeurt er bijvoorbeeld met een bepaald asfaltmengsel wanneer we toekomstige temperatuurscenario’s in het laboratorium nabootsen? Welke testmethoden zijn geschikt om klimaatbestendigheid te beoordelen? Kunnen nieuwe bindmiddelen, vezels, gerecycleerde materialen of additieven het gedrag verbeteren? En moeten bestaande proefmethoden worden aangepast aan de omstandigheden die we over twintig of dertig jaar verwachten?
Daarvoor hoeft niet altijd eerst een jarenlang onderzoeksprogramma te worden opgezet. Een gerichte onderzoeksopdracht, versnelde laboratoriumproeven of een proefvak kunnen op relatief korte termijn belangrijke inzichten opleveren. Onderzoeksgroepen kunnen daarbij over de landsgrenzen heen samenwerken en ervaringen bundelen.
Maar daarvoor moet iemand de vraag stellen, vooral om theorie om te zetten in praktijk.
Wanneer tijdens een hittegolf opnieuw berichten verschijnen over vervormde wegdekken, of na extreme regenval schade zichtbaar wordt, mogen we ons niet beperken tot de vaststelling dat het klimaat verandert. Zulke signalen zouden voor wegbeheerders en industrie aanleiding moeten zijn om samen met kennisinstellingen onmiddellijk te onderzoeken wat er gebeurt en welke oplossingen mogelijk zijn.
De kennis, de testapparatuur en de mensen zijn aanwezig. Gewestelijk, nationaal en internationaal; deze problematiek stopt namelijk niet aan een grens. Een stroomversnelling richting klimaatbestendige asfalt- en betonwegenbouw, nieuwe materialen en hoge recyling is mogelijk. Het fundamenteel onderzoek is klaar om toegepast te worden. Maar dan moeten we bij het ontwerpen van de wegen van morgen ook durven rekenen met deze factoren van morgen. Durft u?
Wim Van den bergh, Ph.D., Ing. – Universiteit Antwerpen
Professor Wegenbouwkunde en Asfalttechnologie
Hoofd van het departement Industriële wetenschappen: bouwkunde
Hoofd van de SuPAR onderzoeksgroep